Waarom?
De wet bepaalt dat echtgenoten elkaar het nodige zijn verschuldigd.
En ook dat deze verplichting ook na het huwelijk nog doorloopt.
Dit is de wettelijke basis voor de verplichting tot partneralimentatie.
Wie niet is getrouwd, maar wel heeft samengeleefd als waren zij gehuwd kan soms toch aanspraak maken op partneralimentatie. Hiervoor is dan bijvoorbeeld een contractuele basis nodig, bijvoorbeeld als er een samenlevingscontract is opgemaakt, waarin dit is geregeld.
Hoe lang?
Als het huwelijk korter dan 5 jaar heeft geduurd, en er zijn geen minderjarige kinderen te verzorgen, dan heeft de wetgever de wettelijke alimentatieplicht voor de partner beperkt tot de duur van het huwelijk.
Duurde het huwelijk langer dan 5 jaar, of zijn er kinderen uit de relatie geboren, die op het moment van de scheiding nog minderjarig zijn, dan is de wettelijke alimentatie voor de partner maximaal 12 jaar.
In schrijnende uitzonderingsgevallen kan aan de rechtbank gevraagd worden deze termijn te verlengen tot 15 jaar. Dat wordt echter niet gemakkelijk toegekend.
Als het recht op partneralimentatie is gebaseerd op een samenlevingscontract, staat daar meestal ook in hoe lang dit recht kan duren.
Als dat niet zo is, ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de wettelijke regeling op dit punt.
Voor wie?
Uit elk huwelijk kan een alimentatieplicht jegens de ex-partner voortkomen.
Als een man bijvoorbeeld na een scheiding hertrouwt, en ook dat huwelijk loopt spaak, dan kunnen er twee ex-partners zijn met een aanspraak op partneralimentatie.
Wie alleen heeft samengewoond, kan niet zonder meer aanspraak maken op partneralimentatie. Wel kan het contractueel zijn overeengekomen, bijvoorbeeld in een notarieel samenlevingscontract.
Maar ook als het niet is overeengekomen kan de partner met het meeste inkomen de dringende morele verplichting voelen om de ex-partner niet onverzorgd te laten. Ook dan kan dus worden overgegaan tot de voldoening van partneralimentatie.
Deze is in het algemeen ook fiscaal aftrekbaar voor de betalende partner.
Hoeveel?
De wet zelf geeft geen normen waaruit is af te lezen hoeveel de wettelijke alimentatie voor een ex-partner is.
De rechters hebben hiervoor wel normen ontwikkeld, zodat zij zoveel mogelijk in gelijke gevallen tot vergelijkbare beslissingen zouden komen. Deze normen staan bekend als de Trema-normen, naar het tijdschrift waarin zij voor het eerst zijn gepubliceerd. (Trema = Tijdschrift voor de Rechterlijke Macht)
Het Trema-rapport is te vinden op de website van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak: vereniging voor rechtspraak.
Dit rapport is in beginsel bindend voor de rechters die belast zijn met zaken waarin alimentatie moet worden berekend. Als zij ervan willen afwijken zullen ze daar een goede reden voor moeten hebben, en die ook kenbaar moeten maken.
Maar wie onderling een afspraak wil maken over de alimentatie is niet gebonden aan dit rapport. Het rapport is geschreven voor de rechters, niet voor partijen!
Het kan wel handig of prettig zijn om te weten waar een rechterlijke beslissing (ongeveer) op zou uitkomen, voor je beslist of je erover zal procederen, of om te kijken of je eigen gevoel klopt met de rechterlijke benaderingswijze.
Om die reden geven we hier een paar handgrepen met toelichting.
Maar voor een complete alimentatieberekening is een bezoek aan een deskundige op dit vlak beslist noodzakelijk.
Uitgangspunten: behoefte en draagkracht
De Tremanormen werken met twee uitersten:
- alimentatie kan niet hoger zijn dan de financiele behoefte van de alimentatiegerechtigde
- alimentatie hoort niet lager te zijn dan de financiele draagkracht van de alimentatieplichtige
Ergens tussen het plafond van de behoefte en de vloer van de draagkracht ligt dan het bedrag van de alimentatie.
Ex-partners
Partneralimentatie is aan de orde als een van beide partners (veel) minder inkomen heeft dan de andere partner.
Het principile uitgangspunt is dat beide partners netto ongeveer evenveel te besteden zouden kunnen hebben, zonder de kosten van eventuele kinderen daarbij mee te rekenen.
Een vuistregel is dat de behoefte van een alimentatiegerechtigde partner kan worden gesteld op 60 % van het gezinsinkomen toen de beide partners nog samenwoonden.
In deze vuistregel is het bereikte welstandsniveau van het gezin meegenomen, en ook het feit dat een alleenstaande duurder uit is dan een samenwoner.
De behoefte kan lager worden als in redelijkheid van de behoeftige partner verlangd kan worden (meer) eigen inkomen te verwerven, of in te teren op het eigen vermogen.
Of dit daadwerkelijk verlangd kan worden is per situatie anders. Rechters hebben de neiging aan te sluiten bij het adagium je gaat uit elkaar zoals je getrouwd was. Daarmee wordt bedoeld dat de onderlinge normen die tijdens het huwelijk golden ook daarna worden gehanteerd.
Bijvoorbeeld:
Henk en Marian zijn 15 jaar getrouwd. Zij hebben drie schoolgaande kinderen.
Henk werkt fulltime, Marian is gestopt met werken toen hun eerste kind werd geboren.
Henk vindt dat Marian na de scheiding wel weer kan gaan werken, zodat hij minder partneralimentatie hoeft te betalen.
Omdat Henk tijdens het huwelijk ermee heeft ingestemd dat hij alleenverdiener was, zal hij deze situatie in beginsel ook na de scheiding moeten aanvaarden.
Draagkracht
Met draagkracht wordt aangeduid welk bedrag de alimentatieplichtige in redelijkheid zou kunnen betalen, rekening houdend met de noodzakelijke kosten voor het eigen levensonderhoud.
Pas nadat de theoretische draagkracht is berekend, wordt beoordeeld of hiermee in de behoefte van de alimentatiegerechtigde(n) kan worden voorzien.
Het Tremarapport maakt onderscheid tussen een bruto-berekening (waarbij alle fiscale aftrekposten volledig worden mee-berekend) en een netto-berekening (waarbij de fiscale aftrekposten in grove lijnen worden geschat).
Een netto-berekening is daarom volgens Trema alleen aan de orde bij een inkomen van de alimentatieplichtige tot 2.000,- bruto per maand.
Daarboven wordt de fiscale invloed zodanig dat hiermee door rechters sterker rekening moet worden gehouden.
Bij een brutoberekening wordt het bruto jaarinkomen omgerekend naar een netto-bedrag per maand, inclusief vakantiegeld, vaste bonussen, eindejaarsuitkering etc.
Van daar af is de berekening vrijwel gelijk aan de nettoberekening, dat van dezelfde grondslag uitgaat.
Is eenmaal het netto-inkomen per maand vastgesteld, dan wordt bepaald welk deel daarvan niet beschikbaar is voor alimentatie. Dit zijn namelijk de kosten die de alimentatiegerechtigde moet maken om zichzelf (en eventueel zijn nieuwe gezin) in stand te houden.
Daarbij wordt zo veel mogelijk uitgegaan van objectieve normen en forfaitaire bedragen.
Voorbeeld van een netto-berekening
Frans werkt fulltime bij een machinefabriek. Hij verdient 1.600,- netto per vier weken. Volgens de geldende CAO heeft hij recht op 8 % vakantiegeld bruto (= 5 % netto).
Met Marlies heeft hij 2 kinderen van 10 en 8 jaar, die hij om het andere weekend (za/zo) bij zich heeft.
Een alimentatieberekening voor Frans zou er dan zo uit kunnen zien:
Netto inkomen per maand (1.600x13:12) 1.733,-
Vakantiegeld 5% 87,-
Grondslag inkomen 1.820,-
Berekening draagkrachtloos inkomen:
- bijstandsnorm alleenstaande incl vakantiegeld 866,-
- huur voorzover meer dan 197,- 350,-
- premie ziektenkostenverzekering 99,-
- kosten omgangsregeling (10 x 5 per dag) 50,-
totaal draagkrachtloos inkomen: 1.365,-
Draagkrachtruimte = 1.820 - 1.365 = 455,-
Beschikbaar voor alimentatie: 70 % x 455,- = 319,-
De netto-draagkracht is dus 319,- per maand.
Bij dit bedrag kan eventueel nog het fiscale voordeel voor Frans worden opgeteld, om vast te stellen wat zijn bruto draagkracht is. Dat bedrag is voor kinderalimentie anders dan voor partneralimentatie.